banier
lijntje lijntje
back
Zwervende Mestkever Aphodius prodromus

En van de gewoonste mestkevers in Europa is de zwervende mestkever. Het valt niet altijd mee om hem te determineren, want er is een sterk gelijkende soort: Aphodius sphacelatus. Van beide soorten zien we de volwassen kevers vooral in het voorjaar. Regelmatig kun je ze allebij tegelijk zien.

Als je ze tegelijk ziet, zijn ze gemakkelijk uit elkaar te houden. Met een lengte van 5 tot 7 mm is de zwervende mestkever is iets groter en vooral duidelijk breder. Aan het einde is het nekschild zwart. Als je van de zijkant van de dekschilden omhoog kijkt, dan begint de derde lijn van deukjes duidelijk veel later dan de tweede lijn. Aphodius sphacelatus is kleiner, smaller en altijd iets lichter van kleur. Okerkleurige exemplaren zijn altijd deze soort en geen zwervende mestkevers. Langs de achterkant van het nekschild loopt een geel lijntje, al is deze soms maar heel erg smal. En de derde lijn met kleine deukjes op de dekschilden begint ongeveer op dezelfde hoogte als de tweede lijn.

Volwassen kevers verschijnen al in september, maar tot in februari worden ze weinig gezien, waarchijnlijk wordt rustend overwinterd. Vooral in de maanden april en mei verschijnen ze in grote aantallen. Ze leggen hun eitjes in allerlei stront: paardenstront, schapenstront etz. Ooit werd aangenomen dat de zwervende mestkevers koeienvlaaien meden, maar later onderzoek bewijst dat ze ook die zonder mankeren innemen. De larven verpoppen in het najaar.

De zwervende mestkever is in geheel Nederland een gewone soort, vooral op de zandgronden. Ook in de rest van Europa en in Noord-Amerika niet zeldzaam.