banier
lijntje lijntje
back
Buxusmot Cydalima perspectalis

De buxusmot is een prachtig vlindertje. De vleugels zijn geheel wit met zwarte randen. Soms ook met zwarte vlekken of strepen in het wit. En om het allemaal nog moeilijker te maken zijn er ook zwarte dieren. Deze hebben vaak witte stipjes in het zwart. Het is een micromot, maar dan wel een heel grote! De spanwijdte loopt uiteen van 40 tot 44 mm, en dat maakt hem ongeveer even groot als het landkaartje.

De buxusmot komt uit Oost-AziŽ (Japan, Korea en China) en is waarschijnlijk in 2006 of iets eerder terechtgekomen in Zwitserland. Het bleek een uiterst invasieve soort. In 2007 dook hij op in de Benelux en in 2008 in het VK. Daar is hij te vinden in Londen en wijde omgeving en hij breidt zijn areaal nog steeds uit. In Europa heeft hij het gemunt op buxus (Buxus sempervirens), een plant die in zijn oorspronkelijke woonomgeving helemaal niet voorkomt. Maar ook andere planten hebben te lijden, zoals de zwarte moerbei. Op buxus is hij heel erg schadelijk. Dat komt vooral omdat hij twee generaties per jaar produceert. De eerste generatie tast de buxus vooral aan in april en mei. Dat overleeft de buxus wel en na enkele weken loopt hij opnieuw uit. En juist dan slaat de tweede generatie toe. Vooral in augustus zijn er vaak heel veel rupsen die de buxus totaal kaal vreten. En dat overleeft de plant niet. Heel veel tuinliefhebbers hebben hun buxusplanten, soms heel fraai in vorm gesnoeid, moeten rooien. Toch zijn er ook positieve signalen. De buxusmot had in het begin geen natuurlijke vijanden in Europa. Maar de laatste jaren zijn die er wel gekomen. Vooral vogels als kauwen, diverse mezen en mussen hebben de grote aantallen rupsen ontdekt als een luilekkerland.

De jonge rupsjes zijn geel, maar ze worden al snel felgroen. Op hun lichaam vinden we witomringde zwarte wratten. De rupsen bereiken een lengte van zo'n 40 mm. De tweede generatie is veel groter dan de eerste, maar beide kunnen elkaar deels overlappen. Volgroeide rupsen overwinteren in een zelfgesponnen kokon, soms op de grond, soms in de buxusstruik. Ze kunnen zelfs de koudste winters uitzingen.

In grote delen van Europa nu al een gewone soort. Aanwezig in heel BelgiŽ. In Nederland algemeen ten zuiden van de lijn Alkmaar-Utrecht-Enschede. Daarboven nog relatief zeldzaam, met uitzondering van de stad Groningen en omgeving.