banier
lijntje lijntje
back
Voorjaarsdwergspanner Eupithecia abbreviata

De Voorjaarsdwergspanner begint half maart al te vliegen en is dan gemakkelijk te herkennen: er zijn nog geen andere dwergspanners actief. Maar hij vliegt door tot eind mei en dan is verwisseling met andere soorten wel mogelijk. Kenmerkend is vaak de okerbruine of roodbruine aanzetting van de ader die parallel loopt aan de onderrand van de voorvleugel. De basiskleur is grijzig of bruingrijs. Kort voor de zijrand van de voorvleugel zien we ook nog vaak een golvende wittige lijn. De vlek in de voorvleugels is vaak slecht of niet te zien en altijd heel erg klein. Bij de Eikendwergspanner die veel op de Voorjaarsdwergspanner lijkt, is altijd wel een duidelijke en grotere stip te zien. De Eikendwergspanner is ook kleiner, duidelijker getekend, veel zeldzamer en begint meestal pas half april te vliegen. Helaas kent ook de Voorjaarsdwergspanner melanistische (zeer donkere) exemplaren die geen kenmerkende tekening laten zien en alleen herkend kunnen worden aan de vorm van de vleugels. De Voorjaarsdwergspanner haalt een spanwijdte van 19 tot 23 mm.

De eitjes worden in april en mei gelegd. De vlinder heeft een voorkeur voor jonge, nog struikachtige eiken, of de onderste takken van oudere bomen. De rupsen zijn bruin met een zwarte rugstreep. Ze zijn niet of nauwelijks te onderscheiden van de rupsen van de Eikendwergspanner. In september maken de rupsen een kleine cocon in scheuren in de bast van de boom of in losse aarde, verpoppen en overwinteren op die manier. Hoewel de rups soms op andere eiken wordt gevonden, is de Zomereik de hoofdvoedselplant.

Ondanks dat er maar één generatie is vliegt de Voorjaarsdwergspanner tamelijk lang: van half maart tot eind mei. De grootste aantallen zie je echter van half april tot half mei. Hij komt graag op licht af en wordt vaak al vliegend gezien in de zeer vroege avondschemering. De vlinder houdt niet van losstaande eiken, maar geeft de voorkeur aan eikenbossen op zandgrond. Hij komt op de kleigronden van Nederland en België dan ook niet voor. Daar waar hij voorkomt is het een van de gewoonste spanners, die vaak massaal kan optreden. Zo is hij overvloedig aanwezig in de duinstreek tussen Amsterdam en Alkmaar. Ook elders in Europa gewoon daar waar eikenbossen zijn. Mijdt echter het berglandschap.