banier
lijntje lijntje
back
Bramenspanner (Mesoleuca albicillata)

De Bramenspanner, ook wel Brummelmeter of Brummelspanner genoemd, is een erg fraaie spanner. De basiskleur is helderwit. De vleugels beginnen met een schouderpartij waarin grijze en donkerbruine banden en vlekken elkaar afwisselen. Dan volgt een chocoladebruine band. Het middenstuk is op één klein grijs vlekje na ongetekend. De vleugelpunten zijn nagenoeg wit, maar daarvoor zit een zwarte of donkerbruine vlek. Aan de andere rand van de vleugel vinden we nog zo'n vlek, maar dan veel kleiner. Je kunt hem niet verwarren met een andere soort. De merkwaardige tekening op de vleugels doet het dier in rust sterk lijken op een vogelpoepje, iets dat we bijvoorbeeld ook zien bij een aantal bladrollers. Met een spanwijdte van 34 tot 38 mm een redelijk grote soort.

De larve, die tot 25 mm lang wordt, is groen met een beide zijkanten een roodbruine streep die ter hoogte van het borststuk begint en niet bij de kop. Op de rug kleine rode vijfhoekige vlekjes, meestal met een wittige vlekje in het midden. De kop is groen met bruine spikkels. De soort kent één generatie (hoewel zéér zelden een tweede in het najaar voor kan komen). De rupsen zie je vanaf juli tot in september. Ze eten 's nachts en rusten overdag. Vaak zitten ze dan langs of op de lengtenerf van een blad en zijn dan maar moeilijk te ontdekken. Al in september graven ze een gaatje in de grond, spinnen een cocon en verpoppen in die cocon. Op die manier overwinteren ze. Ook na de winter blijven ze lang in rust, want de vlinders verschijnen pas eind mei/begin juni. We vinden de rupsen op bramen, frambozen en bosaardbeien. De Engelse handboeken noemen ook de hazelaar als voedselplant.

De vliegtijd is van half mei tot half augustus, hoewel soms een tweede generatie in augustus gaat vliegen die dan tot in oktober kan doorvliegen, maar dat verschijnsel is uiterst zeldzaam. De Brummelspanner is vaak moeilijk te fotograferen. Weliswaar laat hij zich gemakkelijk opjagen vanuit het struikgewas (hij zit ook als volwassen dier graag in bramenstruiken), maar hij vliegt vaak maar een klein eindje weg om opnieuw aan de onderkant van een blad te gaan zitten, het liefst op een donker plekje. Bovendien zijn bramenstruiken verre van toegankelijk door hun akelig prikkende doorns. Ook met kunstlicht nauwelijks te vangen, want hij komt daar maar zelden op af. In geheel Nederland op zandgrond een tamelijk zeldzame soort, alleen zijn er een paar plekken, zoals het Rijk van Nijmegen en de westelijke Achterhoek, waar hij wat vaker voorkomt. Overigens zeer zeldzaam of ontbrekend. Ook verder in Europa een wijdverspreide soort die echter overal slechts in kleine aantallen wordt gezien.